Leiekind

Wanneer de vallei zich in de ochtendnevel hult en de knechten hun rijkdom oogstten, dan is dat dankzij haar gulle giften

Wanneer de pastoor aan zijn kleine parochie de klokken van het middaguur laat horen, dan draagt zij het verder

Wanneer de zon haar oranje deken over het landschap legt, dan zorgt zij voor de reflectie van een mooie dag

Maar wanneer de nacht alles opslorpt en de wereld in duisternis hult, dan heeft zij geen oren naar de noodkreet van een verdwaalde reiziger

Voor haar heeft een mensenleven geen waarde, maar voor een mensenleven is haar waarde onvoorstelbaar

De Leie, het is pas wanneer haar tranen gedroogd zijn, dat haar kinderen haar zullen opgeven en verder trekken

‘Lorenzo’ spoorwegbrug Grammene

Wat krijg je als je één pietluttig dorpje op de grens Oost- en West-Vlaanderen, twee kaarsrechte treinsporen tussen Deinze en Tielt, wat zompige meersen en duizenden liters water uit een oude meander van de Leie samenvoegt? Inderdaad, een zeer enthousiaste bruggenbouwer die direct passer en liniaal uit de kast haalt en zich naarstig achter een tekentafel neerploft.

Tijdens de jaren 1920 was het Julien Vierendeel die deze uitdaging op zich nam. De oudere draaibruggen in Grammene, er allemaal gekomen nadat de spoorweglijn naar De Panne in 1855 werd doorgetrokken, hadden immers hun dienst bewezen. Rond 1922 begon men met de bouw van ‘zijn’ metalen brug, de Vierendeelbrug. Maar liefst 80.000 klinknagels waren nodig om het gevaarte van 56m en meer dan 300 ton op zijn plaats te houden. Zo werd, zo stipt als het treinen betaamt, het gekwetter van de watervogels overstemd door het monotone gepuf van een locomotief.

De eerste metalen spoorwegbrug over de oude Leie

Wie voldoende is vertrouwd met oorlogstactieken kent het belang van een ‘bruggenhoofd’. “Wie de brug controleert, controleert alles” vormde zeker in de Tweede Wereldoorlog een belangrijk credo. Op 25 mei 1940 werd, in een poging om de Duitse opmars te stuitten, de brug opgeblazen door een bataljon Ardeense Jagers. Uitstel is echter geen afstel, uiteindelijk moesten de Belgische troepen zich terugtrekken en konden de Duitse troepen verder oprukken. Zij zorgden op hun beurt in 1942 voor een noodbrug om zo de kritische levenslijn richting de Atlantische Oceaan te kunnen onderhouden. Bij hun terugtrekken op het einde van 1944 vernietigden ook de Duitse soldaten die noodbrug.

Duitse soldaten bouwen een noodbrug

Kort na de oorlog werd de brug in haar oude glorie hersteld. Langzaam leek de brug, samen met het dorpje, in te dommelen tussen de meanders van de oude Leie. De NMBS zorgde echter voor een wake-up call in 1992. Om de spoorlijn van Gent naar De Panne te moderniseren stelden zij een betonnen brug voor. Voor de Grammenaars en streekgenoten was dit echter geen optie. Een actiegroep onder leiding van Laurent ‘Lorenzo’ Vanhaesebrouck zorgden voor de nodige tegenkanting. En met resultaat! Uiteindelijk kwam de spoorreus terug op zijn beslissing en werden de plannen afgevoerd. Sindsdien spreekt men in de volksmond van de ‘Lorenzobrug’ (In 2016 werd die erkenning vereeuwigd op een bordje). De brug werd in 2001 volledig gerenoveerd en is één van de laatste Vierendeelbruggen in Vlaanderen.

Na het rechttrekken van de Leie was er ook even sprake om de oude Leie-arm te dempen en om te vormen tot landbouwgrond. Opnieuw zorgde dit voor weerwerk vanuit het Grammense kamp, ook onder meer Leie-kunstenaar Roger Raveel schaarde zich achter de voorstanders van het prachtige ‘riviergroen’. Zou het succesvol protesteren in het Grammense bloed zitten? Geen idee, maar ook dit idee werd uiteindelijk niet meer dan een bundel in de archiefkast. Zo is de Lorenzobrug een stille waker over één van de mooiste wandelstukjes langs de oude Leie.

Zou het dan toch bestaan, een plaats waar de tijd bleef stille staan?

Praktische info
Er is mogelijkheid tot parkeren dichtbij de Lorenzobrug

Zie hier

Poelbergmolen

“Langs de ‘meuln’ naar beneden?” Hoe vaak deze woorden hijgend uit de mond van een wielertoerist zijn gekomen bij het bovenkomen op de Poelberg, het is onmogelijk om er een getal op te plakken. Die ‘meuln’, de Poelbergmolen, is de eye-catcher op de flanken van deze steile puist die zich ten zuiden van het provinciestadje Tielt bevindt.

Op de website van de stad wordt de Poelbergmolen, met alle bescheidenheid die Tieltenaren kunnen opbrengen, een ‘pareltje’ genoemd. Het is echter moeilijk om deze omschrijving te ontkrachten. De molen bepaalt al eeuwenlang het uitzicht van de Poelberg en het omliggende landschap. Onder andere vanuit Dentergem en op de oeroude steenweg tussen Tielt en Deinze kan je deze fiere molen lustig met zijn wieken zien zwaaien.

De aloude discussie onder historici over ‘de eerste keer’ zou ook over deze molen kunnen gaan. Het is niet met 100% zekerheid uit te sluiten wanneer de bouwwerken werden gestart maar algemeen wordt verondersteld dat er een molen stond in het begin van de 18de eeuw. Verschillende houtinscripties geven het jaartal 1726 aan, maar op de Frickxkaart van 1712 wordt ook melding gemaakt van een molen. Op de Ferraris-kaart, opgesteld tussen 1771 en 1778, prijkt een kleine molen met 4 wieken.

Poelbergmolen op de Ferraris-kaart

Vanaf de jaren 1830 tot en met 1980 was de molen in het bezit van de Tieltse adellijke familie Mulle de Terschueren. Het was echter de familie Van Compernolle die de molen liet draaien. Verschillende generaties van de familie maalden hier hun graan, afkomstig van hun eigen boerderij op de flanken van de Poelberg.

De opgang van het (streek)toerisme ging hand in hand met de ‘industriële vooruitgang’. Machines namen een groot deel van het werk over waardoor het begrip ‘vrije tijd’, vroeger een nobele onbekende voor de meesten, zijn intrede kon maken. Met deze ontwikkelingen in het achterhoofd kocht de stad Tielt de molen op in 1980 om deze, na een echte processie van Echternach, helemaal te restaureren. Zodoende werden de wandelaars en fietsers beloond met een stukje historisch erfgoed voor hun inspanning om de berg op te klauteren.

Momenteel is de molen vooral een pronkstuk geworden, een stille getuige van een landbouwersverleden dat nog steeds ingebakken zit in de streek. Dat landelijk karakter komt nog meer tot zijn uiting wanneer in mei de Onze-Lieve-Vrouw processie de molen aandoet. Maar een molen moet malen, want het is nu éénmaal zonneklaar dat rust roest. Op zonnige, maar winderige, dagen voegt de toegewijde molenaar het woord bij de daad en vertelt hij honderduit over de werking van de molen en hoe het soms mooier kan zijn om te luisteren naar een molen dan er naar te kijken. Een aanrader voor jong en oud, al laat je uw hoogtevrees best thuis.

De vermoeide avonturier kan rondom de molen genieten van een mooi graspleintje en een verscholen bankje om even tot rust te komen. Wie niet voor het donker thuis hoeft te zijn kan vanaf de molen ook genieten van een prachtige zonsondergang, waarbij de vier fiere torens van Tielt (Watertoren, Halletoren, Sint-Pieterskerk en Onze-Lieve-Vrouwekerk) prachtig worden benadrukt.

De Poelberg herbergt nog heel wat meer kleine verrassingen, maar deze zijn onderwerp in een volgend artikel!

Praktische info
De Poelberg opwandelen/fietsen zorgt voor die extra kick, dus kan je het best parkeren aan café Ten Huyze. De molen bevindt zich ter hoogte van de Woestijnbosstraat 4.

Kasteel van Poeke

Weinig kastelen hebben voor mij zo’n aantrekkingskracht als het kasteel van Poeke. Gelegen tussen het kleine Ruiselede en het nog kleinere Lotenhulle zorgt dit kasteel voor een welkome afwisseling in een landschap dat wordt vormgegeven door velden en weides, kortom waar ‘den boer’ het nog steeds voor het zeggen heeft.

Je hoeft geen superspeurneus te zijn om het kasteeldomein te vinden, het is met name de enige plaats in de wijde omgeving met de titel ‘bosje’ waardig. Kerktorens vormen voor dit type landschap ook een ideaal navigatie-instrument.

We kunnen enkel de fantasie de vrije loop laten als het gaat over de vroege geschiedenis van dit kasteel. Aan het eind van de 12de eeuw begint de nevel der tijd stilaan op te klaren. De heren van “Poca” krijgen hun eerste vermelding in de annalen van de geschiedenis. Waarschijnlijk bouwden zij aan de oevers van de Poekebeek de eerste omwallingen die voor de nodige bescherming zorgde. Het is pas een kleine 200 jaar later dat het kasteel een prominentere rol opeist. Gevangen tussen de grillen van de stad Gent en die van de Vlaamse hertogen wordt het kasteel verschillende keren ingenomen en opnieuw veroverd. Aan deze politieke stoelendans komt op 5 juli 1453 een einde wanneer de laatste Gentse opstandelingen worden verslagen en aan de galg worden gepresenteerd. Het kasteel wordt verwoest om pas eeuwen later opnieuw uit zijn as te herrijzen. Vaak worden deze periodes door historici bestempeld en geclassificeerd als ‘schermutselingen’. Voor de mensen die het allemaal beleefden was het echter de bittere realiteit.

De beschikbaarheid van meer geschiedkundige bronnen vanaf de 16de eeuw zorgt ervoor dat dergelijke legendes stilaan verharden tot een verhaal van data, namen en cijfers. Op 31 maart 1597 wordt de familie ‘de Preudhomme’ eigenaar van de heerlijkheid Poeke. De betrokkenheid van de familie met het Spaanse leger, gekoppeld aan de uitzichtloze campagnes in Vlaanderen tijdens de 80-Jarige Oorlog, zorgen ervoor dat zij het kasteel heropbouwden volgens de militaire noden van die tijd. In de befaamde Flandria Illustrata van Antonius Sanderus zien we ze een waterburcht met ophaalbrug en donjon. Als dit een getrouwe weergave is valt niet te achterhalen.

Kasteel van Poeke volgens Sanderus (Flandria Illustrata)

In het midden van de 18de eeuw, wanneer uitstraling en grandeur even belangrijk worden geacht als vuurkracht in de strijd om macht, krijgt ook het kasteel in Poeke een flinke opknapbeurt. Er wordt afscheid genomen van de militaire opbouw, de focus ligt niet langer op het praktische, maar op het esthetische. Lodewijk XV vormde de inspiratie. In deze tijd krijgt ook het kasteeldomein steeds meer een duidelijk afgetekende vorm. De Franse tuinen werden doorsneden door lange dreven, die uitzicht boden op het rondliggende landschap. De kerken van Poeke, Ruiselede en Lotenhulle, alsook de molen van Axpoele waren zo nooit veraf. Leuk om naar te kijken, maar ook hier speelde de drang om de rijkdom en verscheidenheid van de heerlijkheid te benadrukken een cruciale rol.

Op het eind van de 19de eeuw zal de familie Pycke de Peteghem de fakkel overnemen van de Preudhommes. Zij zorgden voor verdere vernieuwingen, vooral het interieur kreeg een volledige make-over. Het kasteel zoals het er nu staat dateert uit deze periode. De laatste telg van de familie, Ines Pycke de Peteghem, schonk bij haar dood in 1955 het domein aan de Zusters Apostolinen van Wetteren, die er een schoolkolonie inrichtten. Dit was echter een kort leven beschoren en in 1977 kwam het domein in handen van de gemeente Aalter, die het ter beschikking stelt voor allerlei evenementen. Het verval was evenwel reeds ingezet…

Wie vandaag het domein bezoekt kan niet anders dan beseffen dat de gloriejaren van dit kasteel achter zich liggen. De opvallende roze gevel verliest ieder jaar iets meer van haar glans, dranghekken beschermen de verbrokkelende trappen. Toch is het hier zalig vertoeven, in alle seizoenen. Gekwetter van vele vogels klinkt op vanuit de oude bomen terwijl een eekhoorn zich een weg naar boven baant. Eenden baden zich in de talrijke kleine beekjes, terwijl konijnen zich verschuilen in het struikgewas. De grote graspleinen nodigen zich perfect uit voor een middagje picknicken, lezen, voetballen, misschien een zeldzaam sneeuwballengevecht in de winter …. Voor ieder wat wils dus

Praktische info
Er is voldoende parking aan de kerk van Poeke en het voetbalterrein van Lotenhulle

Overzichtskaart domein Kasteel van Poeke